Tekst van de publicatie
Gemeenteblad
Officiële uitgave van de gemeente Sint-Michielsgestel
Omgevingsplan gemeente Sint-Michielsgestel, wijziging 2026-1 (Fundament)
Artikel
I
Dit besluit treedt in werking vier weken na bekendmaking.
Artikel
II
Dit besluit betreft de wijzigingen in '
bijlage A
'.
Bijlage
A
Omgevingsplan gemeente Sint-Michielsgestel
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
1
ALGEMENE BEPALINGENAlgemene bepalingen
Artikel
1.1
Begripsbepalingen
1
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan zijn vindbaar in:
a.
Bijlage I bij dit omgevingsplan;
b.
de Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;
c.
Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
d.
Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
e.
Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
f.
Bijlage I bij het Omgevingsbesluit; en
g.
Bijlage I bij de Omgevingsregeling.
2
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
In aanvulling op het eerste lid zijn, ter plaatse van omgevingsplan - tijdelijk deel, ook de volgende begripsbepalingen van toepassing:
a.
begripsbepalingen in ruimtelijke plannen die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel omgevingsplan, uitsluitend ter plaatse van dat ruimtelijk plan;
b.
begripsbepalingen in verordeningen die deel uitmaken van het tijdelijk deel omgevingsplan, uitsluitend voor de toepassing van die verordening.
3
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van paragraaf 22.3.7.4 van dit omgevingsplan.
In aanvulling op het eerste lid zijn, ter plaatse van TAM-omgevingsplannen, ook de begripsbepalingen van het desbetreffende TAM-omgevingsplan van toepassing.
Artikel
1.2
Toepassingsbereik van onderdelen van dit omgevingsplan
1
Ter plaatse van omgevingsplan - nieuw deel zijn uitsluitend de hoofdstukken 1 tot en met 21 van dit omgevingsplan van toepassing.
2
Ter plaatse van omgevingsplan - tijdelijk deel zijn uitsluitend de volgende onderdelen van dit omgevingsplan van toepassing:
a.
hoofdstuk 1;
b.
hoofdstuk 2;
c.
hoofdstuk 22; en
d.
het tijdelijk deel omgevingsplan, voor zover dat niet is ingetrokken.
3
Ter plaatse van TAM-omgevingsplannen zijn uitsluitend de volgende onderdelen van dit omgevingsplan van toepassing:
a.
hoofdstuk 1;
b.
hoofdstuk 2;
c.
hoofdstuk 22;
d.
het op een locatie geldend TAM-omgevingsplan; en
e.
het tijdelijk deel van het omgevingsplan, voor zover dat niet is ingetrokken.
Artikel
1.3
Voorrangsbepalingen voor toepassing van het omgevingsplan
1
Voorrangsregels in dit hoofdstuk hebben voorrang op voorrangsregels in andere hoofdstukken van dit omgevingsplan.
2
Bij strijdigheid tussen bepalingen in artikel 1.2 hebben de bepalingen in het derde lid en verder voorrang op het eerste en tweede lid van dat artikel.
3
Bij strijdigheid tussen gelijkluidende begripsbepalingen die op dezelfde locatie van toepassing zijn geldt de volgende rangorde:
a.
begripsbepalingen in bijlage 1.1 bij de Omgevingswet;
b.
begripsbepalingen die zijn opgenomen in een TAM-omgevingsplan;
c.
begripsbepalingen in ruimtelijke plannen en verordeningen die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel omgevingsplan;
d.
begripsbepalingen in Bijlage I van dit omgevingsplan;
e.
begripsbepalingen in de in artikel 1.1 eerste lid sub b tot en met g genoemde besluiten en regelingen.
4
Ter plaatse van omgevingsplan - tijdelijk deel gaan bij strijdigheid tussen de bepalingen in hoofdstuk 22 enerzijds en andere onderdelen van dit omgevingsplan anderzijds, de bepalingen in de andere van toepassing zijnde onderdelen voor.
5
Ter plaatse van omgevingsplan - tijdelijk deel gelden paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3, in afwijking van het vierde lid, aanvullend op de overige van toepassing zijnde onderdelen van dit omgevingsplan.
Artikel
1.4
Citeertitel omgevingsplan
Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Sint-Michielsgestel.
B
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
2
Aanwijzing gebieden
Afdeling
2.1
Aanwijzing gebieden Rijk
Artikel
2.1
Buisleidingen van nationaal belang
1
Er zijn reserveringsgebied buisleidingen van nationaal belang, bedoeld in artikel 5.136, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2
Er is een zoekgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang, bedoeld in artikel 5.136, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel
2.2
Hyperscale datacentra
Er is een uitsluitingsgebied hyperscale datacentra, bedoeld in artikel 5.161bb van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel
2.3
Oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk
1
Er zijn oppervlaktewaterlichamen in het beheer van het Rijk, bedoeld in artikel 2.2, lid 1, van de Omgevingsregeling.
2
Er zijn oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterstaatkundig beheer bij het Rijk berust, bedoeld in artikel 2.2, lid 4, van de Omgevingsregeling.
Artikel
2.4
Primaire waterkeringen en andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk
Er zijn primaire waterkeringen en andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingsregeling.
Artikel
2.5
Rijksvaarwegen
Er zijn vrijwaringsgebieden rijksvaarwegen, bedoeld in artikel 2.12 van de Omgevingsregeling.
Artikel
2.6
Uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg
Er zijn reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 5.133 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel
2.7
Waterkeringen in beheer bij het Rijk
Er zijn beperkingengebieden waterkeringen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.17 van de Omgevingsregeling.
Artikel
2.8
Wegen in beheer bij het Rijk
Er zijn beperkingengebieden met betrekking tot wegen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.21a, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet.
Artikel
2.9
Windturbines
Er zijn gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren, bedoeld in artikel 5.150, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel
2.1
Zinkassengebied
Er is een zinkassengebied De Kempen, bedoeld in § 22.3.7.4.
Afdeling
2.2
Aanwijzing gebieden provincie
Artikel
2.11
Attentiezone geluid provinciale weg
Er is een attentiezone geluid provinciale weg, bedoeld in artikel 5.27 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.12
Attentiezone waterhuishouding
Er is een attentiezone waterhuishouding, bedoeld in artikel 5.41 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.13
Behoud en herstel van watersystemen
Er is een gebied behoud en herstel van watersystemen, bedoeld in artikel 5.42 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.14
Beperkingen veehouderij
Er is een gebied beperkingen veehouderij, bedoeld in artikel 5.65 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.15
Beperking grootschalige logistiek
Er is een gebied beperking grootschalige logistiek, bedoeld in artikel 5.56a, tweede lid, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.16
Boringsvrije zone
Er is een boringsvrije zone, bedoeld in artikel 5.18 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.17
Cultuurhistorische waarden
Er is een gebied cultuurhistorische waarden, bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.18
Diep grondwaterlichaam
Er is een gebied diep grondwaterlichaam, bedoeld in artikel 3.11 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.19
Geen attentiezone waterhuishouding
Er is een gebied geen attentiezone waterhuishouding, bedoeld in artikel 3.15, onder a, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.2
Groenblauwe waarden
Er is een gebied groenblauwe waarden, bedoeld in artikel 5.46 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.21
Grondwaterbeschermingsgebied
Er is een grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 5.17 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.22
Grondwatermeetpunt
Er is een grondwatermeetpunt, bedoeld in artikel 5.18a van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.23
Landelijk gebied
Er is een landelijk gebied, bedoeld in artikel 5.11 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.24
Natuur Netwerk Brabant
Er is een gebied Natuur Netwerk Brabant, bedoeld in artikel 5.30 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.25
Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone
Er is een Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone, bedoeld in artikel 5.40 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.26
Natuurnetwerk Nederland
Er is een gebied Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 5.38 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.27
Regionale waterberging
Er is een gebied regionale waterberging, bedoeld in artikel 5.49 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.28
Reservering waterberging
Er is een gebied reservering waterberging, bedoeld in artikel 5.50 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.29
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf
Er is een gebied sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf, bedoeld in artikel 5.76 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.3
Stalderingsgebied
Er is een stalderingsgebied, bedoeld in artikel 5.66 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.31
Stedelijk gebied
Er is een stedelijk gebied, bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Artikel
2.32
Waterwingebied
Er is een waterwingebied, bedoeld in artikel 5.16 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Afdeling
2.3
Aanwijzing gebieden gemeente
Artikel
2.33
Bodemfunctieklassen
1
Er is een gebied aangewezen met de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2
Er is een gebied aangewezen met de bodemfunctieklasse wonen, bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3
Er is een gebied aangewezen met de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Afdeling
2.4
Gereserveerde gebiedsaanwijzingen
Artikel
2.34
Agrarisch gebied
Artikel
2.35
Archeologisch monument
Artikel
2.36
Bebouwingscontour houtkap
Artikel
2.37
Bebouwingscontour geur
Artikel
2.38
Bebouwingscontour jacht
Artikel
2.39
Bedrijventerrein
Artikel
2.4
Belemmeringengebied buisleiding
Artikel
2.41
Bodembeheergebied
Artikel
2.42
Brandvoorschriftengebied
Artikel
2.43
Concentratiegebied
Artikel
2.44
Explosievoorschriftengebied
Artikel
2.45
Gemeentelijk monument
Artikel
2.46
Kostenverhaalsgebied
Artikel
2.47
Landgoed
Artikel
2.48
Molenbiotoop
Artikel
2.49
Omgeving van een monument
Artikel
2.5
Overgangsrecht gesloten bodemenergiesystemen
C
Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
3
Gebruiksactiviteiten
D
Het opschrift van hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
4
Bouwactiviteiten (ruimtelijk)
E
Het opschrift van hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
5
Sloopactiviteiten
F
Hoofdstuk 7 wordt geplaatst na hoofdstuk 5. Hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
7
6
Aanlegactiviteiten
G
Hoofdstuk 6 wordt geplaatst na hoofdstuk 7. Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
6
7
Normstelling milieu- en omgevingskwaliteit
H
Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
8
I
Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
9
J
Het opschrift van hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
10
K
Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
11
L
Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
12
M
Het opschrift van hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
13
N
Het opschrift van hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
14
O
Het opschrift van hoofdstuk 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
15
P
Het opschrift van hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
16
Q
Het opschrift van hoofdstuk 17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
17
R
Het opschrift van hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
18
S
Het opschrift van hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
19
T
Het opschrift van hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
20
U
Het opschrift van hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
21
V
Het opschrift van hoofdstuk 22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
22
ACTIVITEITENActiviteiten
W
Het opschrift van afdeling 22.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.1
ALGEMEENAlgemeen
X
Het opschrift van afdeling 22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.2
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINENActiviteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen
Y
Het opschrift van paragraaf § 22.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.1
Algemene bepalingen
Z
Het opschrift van paragraaf § 22.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.2
Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
AA
Het opschrift van paragraaf § 22.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.3
Bouwen en in stand houden van bouwwerken
BB
Artikel 22.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.14
Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2
Het eerste lid is niet van toepassing:
a.
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;2;
b.
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
c.
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
d.
als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of
e.
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:
a.
een breedte van ten minste 4,5 m;
b.
een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;
c.
een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en
d.
een doeltreffende afwatering.
4
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
CC
Artikel 22.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.15
Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2
Het eerste lid is niet van toepassing:
a.
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
b.
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
c.
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
d.
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
DD
Het opschrift van paragraaf § 22.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.4
Gebruik van bouwwerken
EE
Het opschrift van paragraaf § 22.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.5
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
FF
Het opschrift van paragraaf § 22.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.6
Cultureel erfgoed
GG
Het opschrift van paragraaf § 22.2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.7
Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken
HH
Het opschrift van subparagraaf § 22.2.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.7.1
Algemene bepalingen
II
Het opschrift van subparagraaf § 22.2.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.7.2
Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
JJ
Artikel 22.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.27
Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
a.
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1
op de grond staand;
2
gelegen in achtererfgebied;
3
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
4
niet hoger dan 5 m;
5
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
6
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
b.
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1
op de grond staand;
2
niet hoger dan 5 m; en
3
de oppervlakte niet meer dan 70 m2;
c.
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1
gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
2
voorzien van een plat dak;
3
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
4
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
5
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
6
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
d.
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1
niet hoger dan 4 m; en
2
alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;
e.
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
f.
een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1
hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
2
op een erf of perceel waarop al een gebouwhoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
3
achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat gebouw hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;
g.
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
1
een silo; of
2
een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;
h.
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
i.
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1
geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
2
geen uitbreiding van het bouwvolume; en
3
geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
KK
Artikel 22.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.33
Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
1
In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
a.
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
b.
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.;
c.
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d., van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
d.
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
e.
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
2
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
LL
Het opschrift van subparagraaf § 22.2.7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.7.3
Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
MM
Artikel 22.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.37
Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
1
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
2
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen:
a.
in zijn geheel of in delen verplaatsbaar;
b.
de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en
c.
buiten de bebouwde kom.
3
Het bepaalde in artikel 22.37, tweede lid is alleen van toepassing als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dat lid niet voldoet aan de in artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen.
NN
Artikel 22.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.39
Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
a.
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
b.
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
c.
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
1
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
2
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
4
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
5
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
6
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
7
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
8
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
9
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
10
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
11
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
12
artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is;
12
13
.
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
13
14
.
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
OO
Het opschrift van paragraaf § 22.2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.8
Overgangsrecht bestaande bouwwerken
PP
Het opschrift van afdeling 22.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.3
MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITENMilieubelastende activiteiten
Het opschrift van paragraaf § 22.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.1
Algemene bepalingen
RR
Het opschrift van paragraaf § 22.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.2
Energiebesparing
SS
Het opschrift van paragraaf § 22.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.3
Zwerfafval
TT
Het opschrift van paragraaf § 22.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4
Geluid
UU
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4.1
Algemene bepalingen
VV
Artikel 22.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.54
Toepassingsbereik
1
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
2
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:
a.
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
b.
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en
c.
op een niet-geluidgevoelige gevel.
3
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:
a.
van het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
b.
van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.; of
c.
door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV;
d.
door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
4
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:
a.
een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of
b.
een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.
5
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a.
een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd;
b.
een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.
WW
Artikel 22.61a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.61a
Gegevens en bescheiden
1
Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
2
Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:
a.
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
b.
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
1
70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;
2
80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;
c.
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
d.
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
e.
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
f.
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
g.
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
h.
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
i.
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
3
Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
4
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
1
de grenzen van het terrein; en
2
de ligging van de gebouwen;
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
5
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
XX
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4.2
Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
YY
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4.3
Geluid door windturbines
ZZ
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4.4
Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
AAA
Het opschrift van paragraaf § 22.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.5
Trillingen
BBB
Artikel 22.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.83
Toepassingsbereik
1
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:
a.
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en
b.
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.;
c.
op een trillingsgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
CCC
Artikel 22.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.84
Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
1
In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
a.
in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
b.
in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2
In aanvulling op artikel 22.84, eerste lid is 22.3.5 niet van toepassing op trillingen door een activiteit op een trillinggevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van toelichting bij artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
DDD
Het opschrift van paragraaf § 22.3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6
Geur
EEE
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.1
Algemene bepalingen
FFF
Artikel 22.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.91
Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
1
In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
a.
in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
b.
in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2
In afwijking van artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
a.
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
1
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
2
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
b.
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
een geurgevoelig gebouw of geurgevoelig object waarin de huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
GGG
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.2
Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf
HHH
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.3
III
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.4
Geur door andere agrarische activiteiten
JJJ
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.5
Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken
KKK
Het opschrift van paragraaf § 22.3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7
Bodembeheer
LLL
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7.1
Nazorg na saneren van de bodem
MMM
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7.2
Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
NNN
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7.3
Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
OOO
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7.4
Saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen
PPP
Het opschrift van paragraaf § 22.3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8
Afvalwaterbeheer
QQQ
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.1
Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
RRR
Artikel 22.141 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.141
Meet- en rekenbepalingen
SSS
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.2
Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
TTT
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.3
Lozen van huishoudelijk afvalwater
UUU
Artikel 22.149 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.149
Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.
2
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.
| Stof | Emissiegrenswaarden in mg/l | |
|---|---|---|
| Representatief etmaalmonster | Steekmonster | |
| Biochemisch zuurstofverbruik | 30 mg/l | 60 mg/l |
| Chemisch zuurstofverbruik | 150 mg/l | 300 mg/l |
| Onopgeloste stoffen | 30 mg/l | 60 mg/l |
3
Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
a.
met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
b.
die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
4
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
a.
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
b.
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
VVV
Artikel 22.150 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.15
Meet- en rekenbepalingen
WWW
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.4
Lozen van koelwater
XXX
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.5
Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
YYY
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.6
Lozen bij opslaan en overslaan van goederen
ZZZ
Artikel 22.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.16
Meet- en rekenbepalingen
AAAA
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.7
Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
BBBB
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.8
Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
CCCC
Het opschrift van subparagraaf § 22.3.8.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.9
Lozen bij calamiteitenoefeningen
DDDD
Het opschrift van paragraaf § 22.3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.9
Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
EEEE
Artikel 22.176 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.176
Meet- en rekenbepalingen
FFFF
Het opschrift van paragraaf § 22.3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.10
Lozen bij maken van betonmortel
GGGG
Artikel 22.180 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.18
Meet- en rekenbepalingen
HHHH
Het opschrift van paragraaf § 22.3.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.11
Uitwassen van beton
IIII
Artikel 22.184 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.184
Meet- en rekenbepalingen
JJJJ
Het opschrift van paragraaf § 22.3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.12
Recreatieve visvijvers
KKKK
Het opschrift van paragraaf § 22.3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.13
Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
LLLL
Artikel 22.191 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.191
Meet- en rekenbepalingen
MMMM
Het opschrift van paragraaf § 22.3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.14
Wassen van motorvoertuigen
NNNN
Artikel 22.194 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.194
Water
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
2
Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
3
Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:, die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
a.
volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of
b.
die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
OOOO
Artikel 22.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.195
Meet- en rekenbepalingen
PPPP
Het opschrift van paragraaf § 22.3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.15
Niet-industriële voedselbereiding
QQQQ
Artikel 22.198 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.198
Water
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
2
Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.
3
Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
4
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
a.
een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of
b.
een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
5
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
RRRR
Het opschrift van paragraaf § 22.3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.16
Voedingsmiddelenindustrie
SSSS
Artikel 22.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.2
Toepassingsbereik
1
Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
3
Deze paragraaf is ook niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
TTTT
Het opschrift van paragraaf § 22.3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.17
Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.
UUUU
Artikel 22.204 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.204
Water: lozingsroute en zuivering
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.
2
Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:
a.
het bewerken van dierlijke bijproducten; of
b.
het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 22.202 is uitgevoerd.
3
Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
4
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
a.
een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;
b.
een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of
c.
een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
5
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
6
5
Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.
7
6
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
VVVV
Artikel 22.208 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.208
Bodem: eindonderzoek bodem
1
Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
2
Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.
3
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
WWWW
Artikel 22.211 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.211
Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
1
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:
a.
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;
b.
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
c.
de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
2
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
XXXX
Het opschrift van paragraaf § 22.3.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.18
Opwekken van elektriciteit met een windturbine
YYYY
Artikel 22.214 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.214
Toepassingsbereik
1
Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:
a.
die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of
b.
die lichtschittering veroorzaakt.
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.:
a.
dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; of
b.
waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
3
Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
ZZZZ
Artikel 22.220 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.22
Lichtschittering: meten reflectiewaarden
AAAAA
Het opschrift van paragraaf § 22.3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.19
In werking hebben van een acculader
BBBBB
Het opschrift van paragraaf § 22.3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.20
Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
CCCCC
Het opschrift van paragraaf § 22.3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.21
Traditioneel schieten
DDDDD
Artikel 22.232 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.232
Bodem: eindonderzoek bodem
1
Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
2
Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.
3
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
EEEEE
Artikel 22.235 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.235
Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
1
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:
a.
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;
b.
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
c.
de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
2
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
FFFFF
Het opschrift van paragraaf § 22.3.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.22
Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht
GGGGG
Het opschrift van paragraaf § 22.3.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.23
Opslaan van vaste mest
HHHHH
Het opschrift van paragraaf § 22.3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.24
Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
IIIII
Het opschrift van paragraaf § 22.3.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.25
Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels
JJJJJ
Artikel 22.257 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.257
Meet- en rekenbepalingen
KKKKK
Het opschrift van paragraaf § 22.3.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.26
Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten
LLLLL
Het opschrift van afdeling 22.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.4
AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN OF SPOORWEGEN ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDSAanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidsproductieplafonds
MMMMM
Artikel 22.272 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.272
Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.
2
Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:
a.
deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
b.
een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;
c.
de snelheid wordt verlaagd;
d.
een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;
e.
de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of
f.
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
1
niet meer dan 5052 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;
2
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 1 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of
3
als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 51 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 1 dB meer dan de heersende waarde.
3
Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:
a.
de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
b.
spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;
c.
spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;
d.
de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of
e.
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
1
niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en
2
niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.
4
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een geluidgevoelig gebouw:
a.
waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c; of
b.
dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
1
op grond van dit omgevingsplan, met uitzondering van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
2
op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
NNNNN
Artikel 22.274 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.274
Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a.
een akoestisch onderzoek naar:
1
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;
2
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
3
het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 1 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;
4
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;
b.
een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en
c.
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
OOOOO
Artikel 22.275 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.275
Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden. op:
a.
een niet-geluidgevoelige gevel;
b.
een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; of
c.
een gevel waarvoor met toepassing van de Imterimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.
PPPPP
Na artikel 22.276 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel
22.276a
Rekenregels
1
In aanvulling op afdeling 22.4 gelden de volgende regels bij het bepalen en beoordelen van het geluid door een weg of spoorweg als bedoeld in die afdeling.
2
Onder geluid door een weg of spoorweg wordt verstaan: het geluid door de aan te leggen of te wijzigen weg of spoorweg.
3
Het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald:
a.
voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en
b.
voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij de omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage Ivf bij de Omgevingsregeling.
4
Voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimenteerwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding, wordt:
a.
de aftrek opgeteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en
b.
een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.
QQQQQ
Het opschrift van afdeling 22.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.5
OVERIGE ACTIVITEITENOverige activiteiten
RRRRR
Het opschrift van paragraaf § 22.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.1
Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
SSSSS
Artikel 22.278 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.278
Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
1
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
a.
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; ofkracht is:
1
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
2
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden;
b.
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
voor de dag van ontvangst van de aanvraag:
1
een ontwerp van een bestemmingsplan of een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreven;
2
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
3
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
2
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht
TTTTT
Het opschrift van paragraaf § 22.5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2
Aanvraagvereisten
UUUUU
Het opschrift van subparagraaf § 22.5.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.1
Algemene bepalingen.
VVVVV
Het opschrift van subparagraaf § 22.5.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.2
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet
WWWWW
Het opschrift van subparagraaf § 22.5.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.3
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan
XXXXX
Het opschrift van subparagraaf § 22.5.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.4
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet
YYYYY
Het opschrift van subparagraaf § 22.5.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.5
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet
ZZZZZ
Het opschrift van paragraaf § 22.5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.3
Voorschriften
AAAAAA
Hoofdstuk 23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
23
SLOTBEPALINGEN
Artikel
23.1
(citeertitel)
Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Sint-Michielsgestel.
BBBBBB
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BIJLAGE
Bijlage
I
BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGENBij artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan, Begripsbepalingen
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
aansluitafstand
:
(bruidsschat)
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
:
(bruidsschat)
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000:
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07-02-2014, met wijzigingsblad van 10-02-2018;
bebouwingsgebied
:
(bruidsschat)
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
bebouwingspercentage
het in procenten uitgedrukte deel van een bouwwerkperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd;
bed and breakfast
het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;
bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is
beroep op bedrijf aan huis
beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en die op kleine schaal in een woning en/of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;
BRL SIKB 2000:
bestaand
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12-12-2013;
1
bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp wijzigingsbesluit van het omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel een bouwwerk zoals dat mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
2
bij gebruik: het legale gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp wijzigingsbesluit van het omgevingsplan bestaat;
bouwlaag
een voor mensen toegankelijk deel van een gebouw, waarin een netto-hoogte van 1,5 meter of hoger voorkomt. Een bouwlaag bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkanten van de afgewerkte vloeren of van het maaiveld van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,5 meter in hoogte verschillen;
BRL SIKB 7000:
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19-06-2014, met wijzigingsblad van 12-02-2015;
carport
een bouwwerk, geen gebouw zijnde dat, voorzien van een dak en ten hoogste twee wanden, door zijn plaatsing, indeling en inrichting uitsluitend bedoeld is voor het stallen van motorvoertuigen;
concentratiegebied geurhinder en veehouderij
:
(bruidsschat)
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel wordt ook begrepen een internetwinkel en een afhaalpunt;
detailhandel in volumineuze goederen
detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichting, grove bouwmaterialen, keukens, meubels, woninginrichting en sanitair;
distributienet voor warmte
:
(bruidsschat)
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
geurgevoelig object
:
(bruidsschat)
a.
gebouw:
1
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
3
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
b.
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
gezoneerd industrieterrein
:
(bruidsschat)
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
horeca
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaal-accommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf;
huishouden
persoon of groep personen, die een huishouden voert, waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;
industrie
:
(bruidsschat)
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is voor het gebruik industrie;
ISO 11423-1:
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren met geuremissiefactor
:
(bruidsschat)
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
a.
varkens, kippen, schapen of geiten; en
b.
als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
1
rundvee tot 24 maanden;
2
kalkoenen;
3
eenden; of
4
parelhoenders;
landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor
:
(bruidsschat)
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
luifel
afdak aangebracht aan de gevel van een pand, eventueel rustend op kolommen;
moestuin
:
(bruidsschat)
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie;
NEN 5725:
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
nutsvoorzieningen
voorzieningen voor het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen voor ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
NEN 5740:
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1/A1:
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
ondergronds bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die onder het straatpeil is gelegen;
NEN-EN 12566-1:
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en omsloten door maximaal één wand of twee wanden, wanneer de overkapping tegen bestaande wanden wordt gebouwd zonder op deze wanden te rusten;
NEN-EN-ISO 15913:
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
pergola
een losstaande, open constructie die een terrasoverkapping vormt;
Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven
:
(bruidsschat)
voor het projectgebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol, versie juni 2019;
ruimtelijke plan
ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a. van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen;
siertuin
:
(bruidsschat)
perceel of deel van een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt;
straatpeil
:
(bruidsschat)
Hier de lijstaanhef
a.
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b.
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
TAM-omgevingsplan
wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties;
tijdelijk deel omgevingsplan
het deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet;
voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel, die als zodanig dient te worden aangemerkt;
warmteplan
:
(bruidsschat)
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
wonen
activiteit, inhoudende de bewoning van een woning;
woning
een complex van ruimten dat dient voor de huisvesting van:
1
één huishouden; of
2
één huishouden plus maximaal twee individuele personen; of
3
maximaal vier individuele personen;
zinkassen
:
(bruidsschat)
restproduct van de thermische zinkertsverwerkende bedrijven of voormalige thermische zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen.
zinkassengebied De Kempen (bruidsschat)
gebied waarbij zinkassen in de bodem aanwezig zijn of waarbij de bodem verontreinigd is geraakt door de aanwezigheid van zinkassen in het verleden, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II;
zorgwoning
een woning, die bedoeld is voor de huisvesting van personen, die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke en/of lichamelijke verzorging nodig hebben.
CCCCCC
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BIJLAGE
Bijlage
II
BIJ ARTIKEL 1.1, DERDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGENGeografische informatieobjecten
In paragraaf 22.3.7.4 van dit omgevingsplan wordt verstaan onder:
attentiezone geluid provinciale weg
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_d14c3b09aadd4f61aaa163923f9f9171/nld@2026-07-16;1
attentiezone waterhuishouding
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_f706795ce38c4424a407108547dae5c3/nld@2026-07-16;1
behoud en herstel van watersystemen
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_4200c05437924bbb92f9025ccefb187a/nld@2026-07-16;1
beperking grootschalige logistiek
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_c16aae5ace744bceaac5b0f81458503d/nld@2026-07-16;1
beperkingen veehouderij
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_9ccf396ab4be40efbff156e6c0449b84/nld@2026-07-16;1
beperkingengebieden met betrekking tot wegen in beheer bij het Rijk
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_f42a06d54e214cada23e29c87d1b2a71/nld@2026-07-16;1
beperkingengebieden waterkeringen in beheer bij het Rijk
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_0598586fd33443e092205c66a91566b1/nld@2026-07-16;1
bodemfunctieklasse industrie
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_bb9766b76ede427fb966f65e1eb2b4eb/nld@2026-07-16;1
bodemfunctieklasse landbouw/natuur
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_1f94d6abf7b144a3b37ec1d2f4294ef4/nld@2026-07-16;1
bodemfunctieklasse wonen
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_8af1c42d17f24beabd9fd0338ace38fe/nld@2026-07-16;1
boringsvrije zone
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_3dcf138d700844c08ef78bbdde8126d0/nld@2026-07-16;1
cultuurhistorische waarden
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_a482b46f206245d09fee213b2661203e/nld@2026-07-16;1
diep grondwaterlichaam
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_43bed5480ecf4be29a0c255acb43ed72/nld@2026-07-16;1
gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_4315d67f1e19482ebdf185eeaf23ca3f/nld@2026-07-16;1
geen attentiezone waterhuishouding
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_e8154537bf7d489fa5ea979fd9da49a1/nld@2026-07-16;1
groenblauwe waarden
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_6b889cf2ca884a308889e2b1a0a94200/nld@2026-07-16;1
grondwaterbeschermingsgebied
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_37bec104944d46e0b3a9963fe4012568/nld@2026-07-16;1
grondwatermeetpunt
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_9a7e7597b09147d4bc02c1dd85e26c2b/nld@2026-07-16;1
landelijk gebied
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_9dc22d78dd094a72857c5d538dc0c117/nld@2026-07-16;1
Natuur Netwerk Brabant
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_93334cfae4d3462b9bf0b684ad3cb432/nld@2026-07-16;1
Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_400866c4d2cf448b82467bc3d90a3c1e/nld@2026-07-16;1
Natuurnetwerk Nederland
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_91cd4e374f73429c89829c7dd658feda/nld@2026-07-16;1
omgevingsplan - nieuw deel
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_00abdf13b8c1468b8ea2a488121f4fac/nld@2026-07-16;1
omgevingsplan - tijdelijk deel
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_ca73b7259c4243d0b631340a0afb61e6/nld@2026-07-16;1
industrie:
oppervlaktewaterlichamen in het beheer van het Rijk
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is voor het gebruik industrie;
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_07edfa735d6042f0b553eceb9271f70d/nld@2026-07-16;1
oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterstaatkundig beheer bij het Rijk berust
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_adf0002b8a6843b5820c981a674b4687/nld@2026-07-16;1
primaire waterkeringen en andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_80a7d41e3ae0456098b94bff06554c0b/nld@2026-07-16;1
regionale waterberging
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_f87363566b9f4c6098b36d9e8a76dc9f/nld@2026-07-16;1
reservering waterberging
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_c8bb263d6ee446c8b20b2ab514228815/nld@2026-07-16;1
reserveringsgebied buisleidingen van nationaal belang
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_3f2124e4b7c64d61bd5d445910b21845/nld@2026-07-16;1
moestuin:
reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie;
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_d0fc37ef5ffb4d4bb7665727062b6503/nld@2026-07-16;1
Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven:
sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf
voor het projectgebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol, versie juni 2019;
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_40443fced7174ea484046db38cd89889/nld@2026-07-16;1
siertuin:
stalderingsgebied
perceel of deel van een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt;
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_da72190dce744be2b1ff8c4213317952/nld@2026-07-16;1
stedelijk gebied
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_d07e9f7feab84dd8986e0539cfc0848b/nld@2026-07-16;1
TAM-omgevingsplannen
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_1cc0a5eb46e14abca793535ecd3811a5/nld@2026-07-16;1
uitsluitingsgebied hyperscale datacentra
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_5eb8fd0add334ecfa8d45d35f7ae432e/nld@2026-07-16;1
vrijwaringsgebieden rijksvaarwegen
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_4f166daa3dc347249419a17e0a61444f/nld@2026-07-16;1
waterwingebied
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_6691226aba7e40708a1bf99b8dcb21a1/nld@2026-07-16;1
zinkassengebied De Kempen
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_96714702679c4cf3a984dfa29346d10d/nld@2026-07-16;1
zinkassen:
zoekgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang
restproduct van de thermische zinkertsverwerkende bedrijven of voormalige thermische zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen.
/join/id/regdata/gm0845/2026/gebiedsaanwijzing_bc8a4b93da824883a7ff3fee5c0f9ed5/nld@2026-07-16;1
DDDDDD
Het opschrift van artikelgewijzetoelichting 'ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING TIJDELIJK DEEL OMGEVINGSPLAN' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING TIJDELIJK DEEL OMGEVINGSPLANArtikelsgewijze toelichting
EEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
1
ALGEMENE BEPALINGENAlgemene bepalingen
Het omgevingsplan bevat veel regels en begrippen.
Deze artikelen leggen uit:
●
wat bepaalde woorden betekenen (begripsbepalingen);
●
waar welke regels gelden (toepassingsbereik);
●
welke regels voorrang hebben als er verschillen zijn;
●
hoe het plan officieel heet (citeertitel).
Niet alle begrippen staan in het omgevingsplan, sommige begrippen zijn al gedefinieerd in de besluiten en regelingen die onderdeel zijn van de Omgevingswet. Deze begrippen en bijbehorende definities zijn eenvoudig te vinden via de Stelselcatalogus Omgevingswet (opent in een nieuw tabblad).
Artikel
1.1
Begripsbepalingen
In het omgevingsplan komen veel begrippen voor, zoals bouwwerk, activiteit of woning. Om misverstanden te voorkomen, is vastgelegd wat deze woorden precies betekenen.
Waar vind je die betekenis?
in Bijlage I van dit omgevingsplan, en
in landelijke regels: Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), Omgevingsbesluit, Omgevingsregeling.
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.
Het woord bouwwerk kan in gewone taal iets anders betekenen dan in de wet. In de wet staat precies wat een bouwwerk is: een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
Tijdelijk deel van het omgevingsplan
Derde lid
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die van toepassing zijn op de regels in paragraaf 22.3.7.4 van dit omgevingsplan.
Moestuin, siertuin en industrie
Onder moestuin wordt verstaan (een deel van) een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie. Onder siertuin wordt verstaan (een deel van) een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt. Onder de begrippen moestuinen, siertuinen en industrie worden in voorkomende situaties ook verstaan de aan deze tuinen of industrie grenzende wegbermen, voor zover deze bermen onderdeel vormen van de saneringsaanpak. Met deze pragmatische invulling van deze begrippen wordt voorkomen dat voor een eventuele sanering van de aan de tuinen of industrie grenzende wegbermen een afwijkende (strengere) terugsaneerwaarde zou moeten worden gehanteerd dan voor de tuinen of industrie zelf nodig is.
Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven
Dit betreft het voor het zinkassengebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol. Zie verder de toelichting bij artikel 22.134 (bodemonderzoek).
Zinkassen
Zinkassen betreft een restproduct en is een verzamelnaam van afvalproducten van de (voormalige) thermisch zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen. De chemische samenstelling van zinkassen is karakteristiek door een reeks zware metalen met zekere onderlinge verhoudingen, in gehalten doorgaans afnemend in orde van zink, lood, cadmium, koper, arseen en cadmium, echter met grote verschillen in bandbreedte. Dit materiaal is in het verleden toegepast als verhardingsmateriaal van wegen, paden, opritten en erven, maar levert een bedreiging voor de bodem en het grondwater. Onder zinkassen wordt ook verstaan: zinkslakken, sintels en kelderassen.
Er zijn nog bestaande regels die nog niet in het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn opgenomen, zoals regels in bestemmingsplannen en verordeningen. Daar horen soms andere begrippen bij. Die vind je in:
ruimtelijke plannen (bijvoorbeeld een bestemmingsplan voor een wijk).
verordeningen.
TAM-omgevingsplannen
In sommige gebieden geldt een zogenaamd TAM-omgevingsplan. Dat is een apart plan met eigen regels en begrippen. De begripsbepalingen uit dat TAM-omgevingsplan zijn van toepassing voor het gebied uit dat TAM-omgevingsplan.
Artikel
1.2
Toepassingsbereik van onderdelen van dit omgevingsplan
Niet alle regels gelden overal. Het omgevingsplan bestaat op dit moment nog uit verschillende delen:
nieuw deel: hoofdstukken 1 t/m 21. Deze hoofdstukken gelden in gebieden waar oude plannen niet meer van kracht zijn;
tijdelijk deel: hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 22 en de oude regels. Voor een bestaande wijk bijvoorbeeld, waar nog een oud bestemmingsplan geldt;
TAM-omgevingsplannen: hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 22, het TAM-omgevingsplan en het tijdelijk deel van het omgevingsplan, voor zover dat niet is ingetrokken. Voor een gebied met een eigen TAM-plan bijvoorbeeld;
gebiedsontwikkelingen (hoofdstukken 23 en verder): hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 22, het hoofdstuk van de gebiedsontwikkeling en verordeningen. Voor een groot nieuwbouwproject zoals een woonwijk.
Dit artikel zal vervallen als het nieuwe omgevingsplan helemaal klaar is. Dan zijn de tijdelijke regels niet meer van toepassing en zijn de TAM-omgevingsplannen en de hoofdstukken voor gebiedsontwikkelingen onderdeel geworden van het nieuwe (reguliere) omgevingsplan.
Artikel
1.3
Voorrangsbepalingen voor toepassing van het omgevingsplan
Soms spreken regels elkaar (nog) tegen. Dan geldt een rangorde om te bepalen hoe de regels zicht tot elkaar verhouden:
1
begrippen in een TAM-omgevingsplan;
2
begrippen uit oude ruimtelijke plannen en oude verordeningen;
3
begrippen in Bijlage I van dit omgevingsplan;
4
begrippen in landelijke regels: Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), Omgevingsbesluit, Omgevingsregeling.
Voorbeeld: als het woord erf in een TAM-omgevingsplan iets anders betekent dan in het omgevingsplan, dan geldt de uitleg uit het TAM-omgevingsplan voor de regels uit dat TAM-omgevingsplan.
Ook geldt:
bij strijd tussen hoofdstuk 22 en andere onderdelen van het tijdelijk deel, gaan de andere onderdelen voor;
sommige paragrafen in hoofdstuk 22 gelden aanvullend.
Artikel
1.4
Citeertitel omgevingsplan
De officiële naam van dit omgevingsplan is: Omgevingsplan gemeente Boxtel.
FFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK
Hoofdstuk
22
ACTIVITEITENActiviteiten
GGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.1
ALGEMEENAlgemeen
HHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.2
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINENActiviteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen
IIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.1
Algemene bepalingen
JJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.2
Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
KKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.3
Bouwen en in stand houden van bouwwerken
LLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.14
Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken. Zo’n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.
In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken.
Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.
MMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.15
Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.
NNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.4
Gebruik van bouwwerken
OOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.5
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
PPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.6
Cultureel erfgoed
QQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.7
Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken
RRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.7.1
Algemene bepalingen
SSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.7.2
Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
TTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.7.3
Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
UUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.2.8
Overgangsrecht bestaande bouwwerken
VVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.3
MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITENMilieubelastende activiteiten
WWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.1
Algemene bepalingen
XXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.2
Energiebesparing
YYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.3
Zwerfafval
ZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4
Geluid
AAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4.1
Algemene bepalingen
BBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4.2
Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
CCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4.3
Geluid door windturbines
DDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.4.4
Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
EEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.5
Trillingen
FFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6
Geur
GGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.1
Algemene bepalingen
HHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.2
Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf
IIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.4
Geur door andere agrarische activiteiten
JJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.6.5
Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken
KKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7
Bodembeheer
LLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7.1
Nazorg na saneren van de bodem
MMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7.2
Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
NNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7.3
Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
OOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.7.4
Saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen
PPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.133
Toepassingsbereik
Deze paragraaf stelt regels voor moestuinen en/of siertuinen of industrie (inclusief bedrijfsterreinen), inclusief aangrenzende bermen, gelegen in het zinkassengebied De Kempen. Dit gebied ligt in een deel van de provincies Noord-Brabant en Limburg.
Voor de gemeenten Boxtel, Horst aan de Maas, Maasgouw, Oisterwijk, Roermond, Tilburg en Vught is de situering en omvang (de zogenoemde geometrische begrenzing) van het zinkassengebied De Kempen vastgesteld in bijlage III bij het omgevingsplan van de betreffende gemeente. Voor de overige gemeenten binnen het zinkassengebied De Kempen valt het gehele ambtsgebied onder het gebied en is een aparte aanduiding van de geometrische begrenzing niet nodig.
Het betreft een verontreinigingssituatie waarbij zinkassen in de bodem aanwezig zijn of waarbij de bodem verontreinigd is geraakt door de aanwezigheid van zinkassen in het verleden.
De saneringsaanpak die in de artikelen 22.135 en 22.136 wordt beschreven is een maatwerkregel waarin wordt afgeweken van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit artikel regelt dat de aanwezige verontreiniging moet worden verwijderd door middel van ontgraving tot de terugsaneerwaarde die overeenkomt met de bodemkwaliteitsklasse die hoort bij de bodemfunctieklasse die door de gemeente is aangewezen.
De overige artikelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (onder andere de meldingsplicht, het aanleveren van gegevens en bescheiden, de erkenningsplicht voor de uitvoering en milieukundige begeleiding en het aanleveren van een evaluatieverslag) zijn wel van toepassing. Dit geldt ook voor de relevante bepalingen uit de activiteit graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (bijvoorbeeld de regels voor het gescheiden houden van partijen en voor tijdelijke opslag) en de activiteit toepassen van grond en baggerspecie (voor het aanvullen van de ontgraving met grond of baggerspecie).
QQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8
Afvalwaterbeheer
RRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.1
Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
SSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.139
Lozen van grondwater bij saneringen
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.
De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
TTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.14
Lozen van grondwater bij ontwatering
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.
De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
UUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.141
Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
VVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.2
Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
WWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.3
Lozen van huishoudelijk afvalwater
XXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.149
Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.
De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NENvan toepassing zijnde meet-EN 12566-1 en rekenregels uit Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
YYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.15
Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
ZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.4
Lozen van koelwater
AAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.5
Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
BBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.6
Lozen bij opslaan en overslaan van goederen
CCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.159
Lozen bij opslaan van inerte goederen
In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.
Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100-150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100-150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.
DDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.16
Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
EEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.7
Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
FFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.8
Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
GGGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.8.9
Lozen bij calamiteitenoefeningen
HHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.9
Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
IIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.173
Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.
De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
JJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.174
Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.
De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
KKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.176
Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
LLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.10
Lozen bij maken van betonmortel
MMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.179
Water
Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
NNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.18
Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
OOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.11
Uitwassen van beton
PPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.183
Water
Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
QQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.184
Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
RRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.12
Recreatieve visvijvers
SSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.13
Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
TTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.19
Water
In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
UUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.191
Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
VVVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.14
Wassen van motorvoertuigen
WWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.194
Water
Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.
Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858de meet-1 en 2rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.
Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.
XXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.195
Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
YYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.15
Niet-industriële voedselbereiding
ZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.198
Water
Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.
Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825de meet-1 en NEN-EN 1825-2rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2daarvan, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NENmeet-EN-normen en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».
AAAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.16
Voedingsmiddelenindustrie
BBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.17
Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.
CCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.204
Water: lozingsroute en zuivering
Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825de meet-1 en -2rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2daarvan, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.
Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NENmeet-EN-normen en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.
Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.
DDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.208
Bodem: eindonderzoek bodem
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.
Eerste lid
Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast.
Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit.
Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.
Tweede lid
Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:
–
op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en
–
op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.
Derde lid
Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
EEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.211
Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.
Eerste lid
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.
Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:
–
De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740de meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.
–
De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.
–
De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
FFFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.18
Opwekken van elektriciteit met een windturbine
GGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie en artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen – Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.
Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 22.219of artikel 22.220in een specifiek geval niet toereikend is.
HHHHHHHHH
Na sectie 22.218 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel
22.219
Lichtschittering: beperken van reflectie
De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
IIIIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.19
In werking hebben van een acculader
JJJJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.20
Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
KKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.21
Traditioneel schieten
LLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.235
Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.
Eerste lid
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.
Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:
–
de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740de meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;
–
de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of
–
de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
MMMMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.22
Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht
NNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.23
Opslaan van vaste mest
OOOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.24
Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
PPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.25
Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels
QQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.256
Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden. De meet- en rekenregels van Hoofdstuk 6 van de Omgevingsregeling zijn daarbij van toepassing.
Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.
RRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel
22.257
Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
SSSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.3.26
Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten
TTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.4
AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN OF SPOORWEGEN ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDSAanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidsproductieplafonds
UUUUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AFDELING
Afdeling
22.5
OVERIGE ACTIVITEITENOverige activiteiten
VVVVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.1
Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
WWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2
Aanvraagvereisten
XXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.1
Algemene bepalingen.
YYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.2
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet
ZZZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.3
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan
AAAAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.4
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet
BBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.2.5
Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet
CCCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
§
22.5.3
Voorschriften
DDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BIJLAGE
I
BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDEEERSTE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN
In Bijlage I bij artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’sAMvBs en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
concentratiegebied geurhinder en veehouderij
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
distributienet voor warmte
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
geurgevoelig object
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
gezoneerd industrieterrein
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
straatpeil
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
warmteplan
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Bijlage B Analyse begrippen
Bijlage B Analyse begrippen
Bijlage C Mer-beoordeling
Bijlage C Mer-beoordeling
Bijlage
D
Nota van zienswijzen en Nota van wijzigingen
Bijlage D Nota van zienswijzen en Nota van wijzigingen
Bijlage
E
Informatiebijeenkomst
Bijlage E Informatiebijeenkomst
Bijlage
F
Eindverslag participatie
Bijlage F Eindverslag participatie
Bijlage G Expertbijeenkomst
Bijlage G Expertbijeenkomst
Bijlage
H
Terugkoppeling expertsessie
Bijlage H Terugkoppeling expertsessie
Motivering
Inleiding
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en sindsdien beschikken we als gemeente over één omgevingsplan van rechtswege. Juridisch vormt dit omgevingsplan één geheel, maar in de praktijk bestaat het uit een groot aantal losse documenten (zoals bestemmingsplannen, enkele verordeningen en voormalige rijksregels). Als gemeente krijgen we tot eind 2031 de tijd om tot een nieuw en volwaardig omgevingsplan te komen dat aan de juridische en technische eisen van de Omgevingswet voldoet. We hebben een transitiestrategie opgesteld om stapsgewijs tot een nieuw omgevingsplan te komen.
Deze wijziging van het omgevingsplan ziet toe op het leggen van een fundament, in augustus 2025 is kennisgegeven van dit voornemen. De beoogde wijziging bevat verschillende onderdelen die hierna stuk voor stuk worden gemotiveerd, namelijk:
casco;
begripsbepalingen;
voorrangsregels;
gebiedsaanwijzingen; en
integreren Vangnetbepalingen.
Casco
Het omgevingsplan is grotendeels vormvrij. De enige verplichting is dat het eerste hoofdstuk “Algemene bepalingen” heet en dat daarin onder meer begripsbepalingen worden vastgelegd. Voor de rest kan iedere gemeente zelf bepalen uit hoeveel hoofdstukken het omgevingsplan bestaat, welke hoofdstukken dit zijn, welke volgorde daarin wordt gehanteerd, hoe een paragraaf wordt opgebouwd enzovoorts.
Met deze wijziging van het omgevingsplan leggen we de structuur op hoofdlijnen vast, met in ieder geval een hoofdstukindeling. In volgende fasen werken we dit verder uit, waarbij we voor bijvoorbeeld de paragraafstructuur en tekstformulering vasthouden aan de uitgangspunten in onze transitiestrategie en in ons handboek omgevingsplan.
Begripsbepalingen
Uiteindelijk landen alle begripsbepalingen in hoofdstuk 1 van het omgevingsplan, maar op dit moment staan er nog begripsbepalingen in de voormalige rijksregels (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan) en bevatten nog geldende bestemmingsplannen en TAM-omgevingsplannen nog eigen begrippen die onderling lang niet altijd uniform zijn. Ook in verordeningen worden nog verschillende begrippenlijsten gehanteerd.
Voor deze omgevingsplanwijziging hebben we twee belangrijke acties verricht:
1
we hebben de begripsbepalingen uit hoofdstuk 22 overgeheveld naar hoofdstuk 1, inclusief een label (“bruidsschat”) om te kunnen herkennen dat deze voortkomen uit de voormalige rijksregels; en
2
Daarbij is gebruik gemaakt van de 'Digitale tool begrippen Omgevingswet' van Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en een analyse van bestaande begripsbepalingen. Deze analyse is toegevoegd als bijlage bij dit besluit.
Op basis van (een vergelijking van) bestaande documenten hebben we een aanzet gemaakt voor uniforme begripsbepalingen. Na vaststelling van dit wijzigingsbesluit kan hier voortaan gebruik van worden gemaakt. Nieuwe begripsbepalingen worden in de toekomst uitsluitend toegevoegd in hoofdstuk 1 van het omgevingsplan.
Het vaststellen van een uniforme begrippenlijst voor het hele ambtsgebied zou negatieve consequenties kunnen hebben, bijvoorbeeld als daardoor de interpretatie van bestaande regels wijzigt. We hebben daarom voorrangsregels opgesteld waarmee we dit ondervangen. In het onderdeel Voorrangsregels gaan we hier verder op in.
Voorrangsregels
Het omgevingsplan bestaat vooralsnog uit verschillende losse onderdelen (zoals bestemmingsplannen, enkele verordeningen en voormalige rijksregels) die nog niet met elkaar in lijn zijn gebracht. Door middel van voorrangsregels wordt bepaald hoe deze overlappende/conflicterende regels zich tot elkaar verhouden.
Op dit moment staan de voorrangsregels op verschillende plekken, met name in hoofdstuk 22 (voormalige rijksregels) en in de (technisch) afzonderlijke TAM-omgevingsplannen. Als gemeente hebben we behoefte aan meer overzicht in het omgevingsplan, op basis waarvan we ook beter regie kunnen voeren. Daarom kiezen we ervoor om de voorrangsregels tussen onderdelen van het omgevingsplan te concentreren in hoofdstuk 1. In de voorbereiding van dit wijzigingsbesluit hebben we daarom zoveel mogelijk verschillende scenario’s in kaart gebracht, waarna we hiervoor een uniforme set beleidsarme voorrangsregels hebben opgesteld.
Groot voordeel van deze voorrangsregels is dat we in één hoofdstuk voor iedere locatie kunnen bepalen welke regels in het omgevingsplan van toepassing zijn. Voor nieuwe gebiedsontwikkelingen die met een wijziging van het omgevingsplan worden gefaciliteerd, activeren we vanuit hoofdstuk 1 de juiste hoofdstukken. Zeker gedurende de transitieperiode is dat van groot belang om overzicht te behouden. Na de transitieperiode zijn deze voorrangsregels niet meer nodig en worden ze uit het omgevingsplan geschrapt.
Gebiedsaanwijzingen
Inleiding
In hoofdstuk 2 van het omgevingsplan nemen we alle gebiedsaanwijzingen op die voor het omgevingsplan van toepassing zijn. In de meeste gevallen worden daar in latere hoofdstukken en op een later moment inhoudelijke regels aan gekoppeld. Met deze wijziging van het omgevingsplan willen we zoveel mogelijk gebiedsaanwijzingen gemeentebreed en uniform vastleggen, dit schept duidelijkheid voor de verdere uitwerking van het omgevingsplan én voor het faciliteren van initiatieven.
We hebben ervoor gekozen om de gebiedsaanwijzingen te categoriseren per bronhouder, zodat we dit hoofdstuk zo eenvoudig mogelijk kunnen beheren en zodat bepaalde aanwijzingen toch enigszins thematisch bij elkaar kunnen worden gezet. Met behulp van thema-annotaties kunnen we er bovendien voor zorgen dat thematisch samenhangende gebiedsaanwijzingen gezamenlijk kunnen worden geraadpleegd.
Voor wat betreft bronhouderschap maken we onderscheid tussen gebiedsaanwijzingen vanuit het Rijk, vanuit de provincie Noord-Brabant en vanuit de gemeente zelf. De bovenlokale gebiedsaanwijzingen vloeien voort uit het Besluit kwaliteit leefomgeving/Omgevingsregeling (Rijk) en de Omgevingsverordening Noord-Brabant (provincie).
Bovenlokale aanwijzingen
Voor wat betreft bovenlokale aanwijzingen hebben we eerst beoordeeld welke gebiedsaanwijzingen (en dus ook welke instructieregels) relevant zijn voor onze gemeente. Daarna hadden we twee keuzes:
1
deze gebieden intekenen en opnemen in het omgevingsplan; of
2
deze gebieden alleen tekstueel noemen in het omgevingsplan, met een verwijzing naar de bron.
Optie 1 is het meest duidelijk, maar vergt ook beheer (bijvoorbeeld als het Rijk of de provincie zelf kaartwijzigingen aanbrengt die voor onze gemeente van belang is). Optie 2 is minder duidelijk, maar is wel dynamischer omdat bovenlokale wijzigingen direct doorwerken. Uiteindelijk kiezen we vanwege de duidelijkheid voor optie 1 en beoordelen we bij iedere omgevingsplanwijziging of de bovenlokale gebiedsaanwijzingen nog actueel zijn. Het voordeel van duidelijkheid bij het raadplegen van het omgevingsplan vinden we namelijk zwaarder wegen dan het beheren van de gebiedsaanwijzingen.
De bovenlokale aanwijzingen liggen deels in onze gemeente, maar deels ook in andere gemeenten door heel Nederland (Rijk) of Noord-Brabant (provincie). De bovenlokale gebiedsaanwijzingen hebben we daarom op onze eigen gemeentegrenzen toegesneden, zodat we alleen overhouden wat voor ons relevant is. Het resultaat nemen we op in hoofdstuk 2 van het omgevingsplan.
Bijzondere aandacht gaat uit naar het Zinkassengebied De Kempen. Onze gemeente valt binnen dit gebied en in hoofdstuk 22 (de voormalige rijksregels) zijn hier specifieke bodemregels aan gekoppeld. Omwille van de raadpleegbaarheid hebben we de begrenzing van het Zinkassengebied digitaal ingetekend en opgenomen in hoofdstuk 2.
Lokale gebiedsaanwijzingen
Naast de bovenlokale gebiedsaanwijzingen zijn er ook lokale gebiedsaanwijzingen. Deze aanwijzingen komen voort uit wettelijke verplichtingen óf uit ons gemeentelijk beleid. Voor wat betreft wettelijke verplichtingen gaat het bijvoorbeeld om het verdelen van de landbodem in bodemfunctieklassen, het aanwijzen van brand- en explosievoorschriftengebieden en om het aanwijzen van bebouwingscontouren voor houtkap, geur en jacht. Daarnaast hebben we een locatie ‘omgevingsplan – nieuw deel’ opgenomen waar we de nieuwe regels van het omgevingsplan tijdelijk ‘parkeren’ voordat ze worden geactiveerd. Deze aanwijzingen lichten we hierna stuk voor stuk toe.
Bodemfunctieklassen
Op basis van artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de landbodem in het omgevingsplan worden verdeeld over de bodemfunctieklassen wonen, industrie en landbouw/natuur. Het in het omgevingsplan opgenomen kaartmateriaal is afkomstig uit de Nota Bodembeheer 2019-2024.
Brand- en explosievoorschriftengebied
Op basis van artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wijst de gemeente ter plaatse van brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebied gebieden aan als brand- en explosievoorschriftengebieden, met enkele mogelijkheden om hier (beleidsmatig) vanaf te wijken. Beleidsvorming en inventarisatie op dit onderwerp zijn nog gaande, waardoor we ervoor kiezen om deze voorschriftengebieden nog niet op te nemen in het omgevingsplan. Dit doen we bij een volgende wijzigingsronde.
Bebouwingscontouren houtkap, geur en jacht
De instructieregeling in het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht iedere gemeente om in het omgevingsplan drie bebouwingscontouren aan te wijzen, namelijk:
1
De bebouwingscontour geur (artikel 5.97);
2
De bebouwingscontour jacht (artikel 5.165a); en
3
De bebouwingscontour houtkap (artikel 5.165b).
Op basis van de instructieregels bestaan deze bebouwingscontouren uit verschillende (deels) gemeenschappelijke componenten, zoals het stedelijk gebied, gebieden aansluitend aan het stedelijk gebied en lintbebouwing. Zie daarvoor onderstaande tabel.
| Bebouwings-contour | Verplichte componenten | Optionele componenten |
|---|---|---|
| Geur | Stedelijk gebied Gebieden grenzend aan het stedelijk gebied | Lintbebouwing Groen grenzend aan het stedelijk gebied |
| Jacht | Stedelijk gebied Gebieden grenzend aan het stedelijk gebied Lintbebouwing Gebieden grenzend aan lintbebouwing | |
| Houtkap | Stedelijk gebied Gebieden grenzend aan het stedelijk gebied |
Als gemeente vinden we het belangrijk om tot herleidbare bebouwingscontouren te komen. Daarom zorgen we ervoor dat de verschillende componenten op uniforme wijze tot stand komen, bijvoorbeeld één gemeenschappelijke toepassing van ‘stedelijk gebied’ en ‘lintbebouwing’. Bovendien vinden we het belangrijk dat perceeleigenaren zoveel mogelijk met één regime te maken hebben, daarom gebruiken we de kadastrale grenzen als uitgangspunt voor de begrenzing van bebouwingscontouren.
Deze uniforme gebiedsindeling is nog in voorbereiding. Daarom worden de bebouwingscontouren opgenomen in een volgende wijziging van het omgevingsplan.
Omgevingsplan - nieuw deel
Regels in het omgevingsplan zijn gekoppeld aan een werkingsgebied, oftewel waar de regel van toepassing is. Een regel geldt automatisch voor de gehele gemeente, tenzij het werkingsgebied geografisch wordt ingeperkt. Overeenkomstig onze transitiestrategie stellen we eerst een basisversie van het nieuwe omgevingsplan op,, voordat we deze set regels gebiedsgericht activeren. Dit krijgen we alleen voor elkaar als we de basisregels ergens tijdelijk kunnen ‘parkeren’, zonder dat dit direct consequenties heeft. De oplossing die we hiervoor hebben bedacht is dat we de basisregels koppelen aan de locatie ‘omgevingsplan – nieuw deel’. Deze locatie beslaat in eerste instantie een zeer beperkt oppervlak in de raadszaal van onze gemeente (ca. 1 m2). Naarmate we het omgevingsplan in de komende jaren gebiedsgericht uitrollen wordt de locatie ‘omgevingsplan – nieuw deel’ steeds groter en vervangt het de oude regels uit bestemmingsplannen en andere documenten.
Integreren Vangnetbepalingen
Met de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk een groot aantal voormalige rijksregels overgedragen naar gemeenten. Deze regels zijn (tijdelijk) opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, met de bedoeling deze regels al dan niet te verwerken in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Na invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk geconstateerd dat deze regels nog enkele fouten bevatten. Daarnaast is er voor bijvoorbeeld NEN-normen sprake van voortschrijdend inzicht. Het Rijk wil de toepassing van deze NEN-normen landelijk blijven voorschrijven via de Omgevingsregeling. Via de Vangnetregeling Omgevingswet brengt het Rijk juridische correcties aan, met directe consequenties voor ons omgevingsplan. Echter, gemeenten moeten deze correcties zélf nog doorvoeren, zodat het omgevingsplan juridisch en technisch weer up-to-date is. Met dit wijzigingsbesluit nemen we dit mee.
Participatie
In lijn met de kennisgeving van ons voornemen (gepubliceerd in augustus 2025) hanteren we voor dit wijzigingsbesluit een uiteenlopende participatiestrategie, omdat dit wijzigingsbesluit verschillende onderdelen omvat. Zo hebben we vooraf contact gehad met provincie en waterschap(pen) en de Omgevingsdienst Brabant-Noord. Daarnaast worden twee bijeenkomsten georganiseerd, één voor bewoners en bedrijven en één expertsessie voor met name andere gemeenten en adviesbureaus. Tot slot zijn we voornemens om een webinar op te nemen waarin we de Omgevingswet, (de transitiestrategie voor) het omgevingsplan en het Digitaal Stelsel Omgevingswet in algemene zin toelichten.
Sommige elementen van dit wijzigingsbesluit lenen zich het meest voor ‘informeren’, omdat het geen inhoudelijke zaken betreft. Het gaat dan bijvoorbeeld om:
de hoofdstukstructuur;
het opnemen van een uniforme begrippenlijst;
het opnemen van bovenlokale gebiedsaanwijzingen; en
het integreren van Vangnetbepalingen in hoofdstuk 22.
Deze zaken presenteerden we tijdens de informatiebijeenkomst op 26 januari 2026 en de expertsessie op 5 februari 2026. De presentatie en het eindverslag van de informatiebijeenkomst en de expertsessie zijn opgenomen als bijlage E tot en met H bij dit besluit.
Voor de overige elementen van dit wijzigingsbesluit kiezen we voor ‘raadplegen’, omdat dit zaken betreft die juridisch complex zijn of die inhoudelijke consequenties kunnen hebben voor belanghebbenden. Het gaat dan met name om:
de voorrangsregels; en
de gebiedsaanwijzingen.
De voorrangsregels zijn juridisch complex. Daarom hebben we deze bij de voorbereiding voorgelegd aan diverse experts, collega’s van andere gemeenten tijdens de expertsessie op 5 februari. De presentatie en de schriftelijke terugkoppeling van de expertsessie zijn opgenomen als Bijlage G en Bijlage H bij dit besluit.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Het omgevingsplan dient te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze wijziging van het omgevingsplan is voornamelijk procedureel/administratief van aard en leidt ten opzichte van het vigerende planologisch regime niet tot nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden. Daarom concluderen we dat er sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit blijkt ook uit de mer-beoordeling (zie bijlage C).