Tekst van de publicatie
De raad van de gemeente Eemnes; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Eemnes d.d. 12 mei 2026, gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1., derde lid, van de Jeugdwet en de artikelen 147 en 156 van de Gemeentewet;
Overwegende:
dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders of, al naar gelang het geval, wettige voogden, en de jeugdige zelf ligt;
dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Eemnes 2026
Hoofdstuk
1
Algemene bepalingen
Artikel
1
Definities
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet of de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Andere voorziening:
Voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
Algemene overige voorziening:
Jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders.
Budgetplan:
Een plan opgesteld door (of namens) de jeugdige en/of zijn ouder(s) waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet of deze verordening;
Budgethouder:
De persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;
Budgetbeheerder:
Wettelijke vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder.
Cliëntondersteuning:
Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;
College:
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes;
Familiegroepsplan:
Hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouder(s), samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving (het sociale netwerk) van de jeugdige of ouder(s) behoren;
Financieel overzicht:
Een door het college vastgestelde regeling waar op grond van deze verordening nadere regels en bedragen zijn gesteld;
Gebruikelijke hulp:
Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders, zoals beschreven in bijlage 1;
Gecertificeerde instelling:
Rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 van de wet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert;
Hulpvraag:
Behoefte van een jeugdige of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;
Individuele voorziening:
Een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 3 eerste lid van de verordening;
Kostprijs:
De prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij een jeugdhulpaanbieder;
Maatschappelijke zaken HBEL
De afdeling waar Eemnes in samenwerkt met de gemeenten Huizen, Blaricum en Laren, voor de ondersteuning op gebied van werk en inkomen, en zorg aan langdurig zieken en ouderen.
Niet-professionele ondersteuning:
Ondersteuning verleend door een persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk van de jeugdige of ouder(s), waarbij:
de persoon die de hulp en ondersteuning verleent niet beschikt over de opleidings- en beroepskwalificaties om de betreffende hulp; en
zorg beroepsmatig te mogen verlenen en geen sprake is van gebruikelijke hulp;
onderzoeksverslag:
Een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren;
Pgb:
Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;
Sociaal netwerk:
Een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt;
Spoedeisend geval:
Een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt;
SVB
Sociale Verzekeringsbank
wet:
Jeugdwet.
Hoofdstuk
2
Vormen van Jeugdhulp
Artikel
2
Beschikbare algemene voorzieningen
1
De algemene voorzieningen zijn lokaal beschikbaar en dragen bij aan de ondersteuning van jeugdigen bij het opgroeien, hierbij bestaat het aanbod o.a. uit:
voorzieningen gericht op ondersteuning bij opvoed- en opgroeiproblemen;
voorzieningen gericht op (sociale) participatie van jeugdigen;
voorzieningen gericht op (mentale) weerbaarheid in de sociale basisstructuur;
voorzieningen gericht op een positieve gezondheid van jeugdigen;
voorzieningen gericht op sport en bewegen van jeugdigen;
het Jeugd- en Gezinsteam voor hulpverlening bij opvoed- en opgroeiproblemen;
2
Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het vorige lid beschikbaar zijn.
Artikel
3
Beschikbare andere voorzieningen
1
Een andere voorziening is voorliggend aan een voorziening die op grond van de Jeugdwet beschikbaar wordt gesteld, hierbij bestaat het aanbod o.a. uit:
Ondersteuning vanuit de Zorgverzekeringswet
Ondersteuningsstructuur op school vanuit de Wet passend onderwijs;
Ondersteuning vanuit de Leerplichtwet;
Ondersteuningsstructuur vanuit de Wet kinderopvang en/of de Wet op primair onderwijs;
Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en/of Participatiewet
2
De hulpvraag van de jeugdige of ouder wordt integraal in samenhang met vraagstukken op andere domeinen onderzocht.
Artikel
4
Beschikbare individuele voorzieningen
1
Jeugdhulp wordt waar mogelijk in de omgeving van het kind, de jongeren en/of het gezin geboden: thuis, op school, op het kinderdagverblijf, de voorschoolse voorziening, de buitenschoolse opvang, in de wijk of online.
2
De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
jeugdhulp met verblijf;
ambulante jeugdhulp;
collectief aanbod ambulante jeugdhulp in het onderwijs;
respijtzorg;
pleegzorg;
verblijf in een gezinshuis;
crisiszorg;
ernstige dyslexiezorg (ED).
3
Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
Hoofdstuk
3
Toegang jeugdhulp tot jeugdhulpvoorzieningen
Artikel
5
Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
1
Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
2
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
3
Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.
4
De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
Artikel
6
Toegang jeugdhulp via de gemeente
1
Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.
2
Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht.
3
Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 10 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.
4
Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 16. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb.
5
Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
6
Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.
7
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
Hoofdstuk
4
Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; Onderzoek en besluitvorming via de gemeente
Artikel
7
Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
1
Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.
2
Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
3
Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.
4
Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.
5
Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger:
wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;
of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:
welke problemen of stoornissen dat zijn;
welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;
hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s);
indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
6
Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.
7.
Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Artikel
8
Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
1
Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
2
Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;
bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of
op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
3
Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Artikel
9
Identificatie
1
Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.
2
Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:
een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;
een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);
een buitenlands paspoort; of
een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).
Artikel
10
Verslag
1
Binnen 14 dagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd.
2
Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.
3
Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd.
4
Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
Artikel
11
Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
1
Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
2
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1. van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024 zoals deze luidden op 1 januari 2024.
3
Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:
daadwerkelijk beschikbaar is; en
passend en toereikend is voor de hulpvraag.
4
Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.
5
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.
6
Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);
7
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
8
Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.
Artikel
12
Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
1
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
2
Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).
3
Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.
4
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;
een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of
overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
5
Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;
de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;
de planbaarheid van de hulp;
de benodigde ondersteuningsintensiteit;
de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;
de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.
Artikel
13
Vervoer
1
Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.
2
Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
3
Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.
4
Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 12, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.
5
Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
Artikel
14
Dyslexie
1
De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.
2
Het vaststellen van ED gebeurt door het doorlopen van het landelijke protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling. Als school voldoende inzet heeft gepleegd, wordt de aanvraag voor onderzoek en behandeling voorgelegd aan het samenwerkingsverband passend onderwijs De Eem. De werkwijze is terug te vinden op de website Externe link:https://dyslexie.swvdeeem.nl/. SWV De Eem adviseert namens de gemeenten in de regio Amersfoort over dyslexiezorg en verzorgt de toegang tot vergoede dyslexiezorg.
Artikel
15
Vaktherapie
1
Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:
beeldende therapie;
danstherapie;
dramatherapie;
muziektherapie;
psychomotorische therapie;
psychomotorische kindertherapie; en
speltherapie
2
Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor Vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de Vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht.
3
Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.
4
De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het JGT moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.
5
Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar of een professional die is ingeschreven in het Register Vaktherapie.
6
Het maximaal aantal sessies behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is 15 sessies op jaarbasis. Als ouders aanvullend verzekerd zijn, dan moet het maximaal aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van het maximale aantal uren dat voor deze behandeling kan worden geïndiceerd.
Artikel
16
Kinderopvang en buitenschoolse opvang
1
Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.
2
In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.
Artikel
17
Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
1
In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
2
Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en
indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
3
Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;
wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
4
Het ondertekende verslag, bedoeld in artikel 10, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.
Hoofdstuk
5
Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in vorm van een Pgb.
Artikel
18
Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
1
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:
de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;
welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;
de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;
de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;
indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;
de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 19 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
2
Het college verstrekt een pgb als:
de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten;
uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 21 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 21 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
3
Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:
fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;
betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;
op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.
4
Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is.
Artikel
19
Pgb-vaardigheid
1
Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;
in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;
in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
2
Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend of de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige;
er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:
schuldenproblematiek;
ernstige verslavingsproblematiek;
aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
Artikel
20
Onderscheid formele en informele hulp
1
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
2
Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.
3
Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.
4
Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp.
Artikel
21
Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
1
Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:
beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie;
beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;
houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;
is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;
werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;
voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;
stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);
stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;
respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;
neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;
meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;
werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en
is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.
2
Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:
hetgeen is bepaald in artikel 18, eerste en tweede lid;
handelt in overeenstemming met de professionele standaard;
werkt op basis van een hulpverleningsplan;
werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;
hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en
stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.
3
Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.
Artikel
22
Hoogte pgb
1
De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.
2
De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt minimaal 100% van het wettelijke minimumloon.
3
De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij:
de indexering wordt berekend uit de som van het geprognosticeerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognosticeerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en
het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.
4.
Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
5.
Het tarief voor jeugdhulp dat op onverplichte basis wordt verleend door een hulpverlener uit het sociaal netwerk wordt door het college vastgesteld overeenkomstig artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet.
6.
Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels. Het college maakt de tarieven eenmaal per jaar bekend.
Artikel
23
Uitgesloten van pgb
De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:
kosten voor bemiddeling;
kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;
kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 13 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;
kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);
kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
Hoofdstuk
6
Afstemming met andere voorzieningen
Artikel
24
Voorliggende voorzieningen
1
Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;
naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.
2
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.
3
De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.
4
Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld.
Artikel
25
Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
1
Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
de Leerplichtwet;
de Participatiewet;
de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;
de Wet Inburgering 2021;
de Wet kinderopvang;
de Wet langdurige zorg;
de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
de Wet passend onderwijs;
de Wet publieke gezondheid;
de Wet tijdelijk huisverbod;
de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en
de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.
2
De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:
het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;
stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;
een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.
3
Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:
de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;
de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 12 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;
welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;
welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.
4
Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.
5
Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:
voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en
de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.
6
Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
Hoofdstuk
7
Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel
26
Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
1
Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:
cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;
cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;
overheadkosten;
kosten voor indexering.
2
Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
3
Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
Artikel
27
Overgang naar volwassenheid
1
Voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar bereiken en ook na hun 18e jaar een ondersteuningsvraag hebben, vindt tijdig afstemming plaats welke andere voorzieningen nodig zijn.
2
In het geval dat er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt de afstemming op latere leeftijd, maar altijd tijdig plaats.
3
In de gevallen bedoeld in het eerste lid wijst het college de jeugdige en zijn ouders erop dat de zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt en legt het uit welke gevolgen dat heeft. Indien continuïteit van de zorg nodig is, spant het college zich daarvoor in.
4
Indien de zorg vanaf de 18e verjaardag onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet valt en de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige wordt voortgezet, voldoet het besluit over de voortzetting van de zorg aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars.
5
In de gevallen bedoeld in het vorige lid wijst het college de jeugdige en zijn ouders erop dat de zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt en legt het uit welke gevolgen dat heeft. Indien continuïteit van de zorg nodig is, spant het college zich daarvoor in.
Artikel
28
Afstemming langdurige zorg
1
De jeugdige of zijn ouders worden ondersteund richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg;
2
Indien de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet verplicht een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.
Artikel
29
Afstemming kinderopvang, onderwijs en leerplicht
1
Alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs, en middelbaar beroepsonderwijs hebben een contactpersoon bij het Jeugd en Gezinsteam.
2
Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste lid genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.
3
Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, kinderopvang, onderwijs-zorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het integraal plan van de jeugdige en zijn ouders.
Artikel
30
Afstemming Maatschappelijke Zaken HBEL
1
Indien een jeugdige of zijn ouders naast jeugdhulpvoorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, zorgt het college voor een goede afstemming.
2
Indien er financiële belemmeringen zijn om preventie en jeugdhulp te laten slagen, zorgt het college voor de juiste hulp en ondersteuning, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, armoedevoorzieningen, en het kindarrangement Meedoen HBEL, om deze belemmeringen weg te nemen.
Artikel
31
Afstemming wonen
Indien een jeugdige of zijn ouder(s) een huisvestingsvraag heeft, zorgt het college voor afstemming en voorlichting over de Huisvestingsverordening Eemnes en de mogelijkheden om een urgentie aan te vragen.
Hoofdstuk
7
Nieuwe feiten en omstandigheden
Artikel
32
Herziening, intrekking en terugvordering
1
Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
2
Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat:
de jeugdige of ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
de jeugdige of ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;
de jeugdige of ouder(s) niet (meer) voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of
de jeugdige of ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.
3
Het college kan het besluit intrekken als de jeugdige of ouder(s) zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder of het pgb niet binnen drie maanden hebben besteed aan het resultaat waarvoor het is verstrekt.
4
Als het college een besluit op grond van het tweede lid onderdeel a heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.
5
De wijze waarop wordt de teruggevorderd, kan verrekening zijn. De hoogte van het na verrekening resterende (periodieke) bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de jeugdhulpplicht van het college.
Artikel
33
Fraudepreventie en controle
1
Het college zet in op fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college jeugdigen en ouders informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (zorg in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ook onderzoekt het college periodiek of er aanleiding is een beslissing om een individuele voorziening toe te kennen, te heroverwegen
2
Het college beoordeelt, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van pgb’s. Tevens beoordeelt het college of de jeugdige of ouder(s) nog voldoen aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen.
3
Het college kan nadere regels vaststellen over de uitvoering van fraudepreventie en controle.
Hoofdstuk
8
klachten en medezeggenschap
Artikel
34
Klachten
1
Voor de afhandeling van klachten van jeugdigen of ouders die betrekking hebben op gedragingen jegens hen van het college of van personen die namens hem meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening behandelen, hanteert het college de Klachtenregeling Jeugd en Gezinsteam Eemnes. Voor de formele behandeling van deze klachten kan gebruik worden gemaakt van de Regionale Klachtencommissie Jeugd Eemland, te Amersfoort, welke commissie voldoet aan de vereisten van artikel 4.2.1 van de Jeugdwet.
2
Onverminderd artikel 4.2.1 van de Jeugdwet stellen aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen jegens een cliënt en de uitvoering/ levering van de voorziening.
Artikel
35
Betrekken van inwoners bij het beleid
1
Het college betrekt inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp via de Adviesraad sociaal domein waarvoor de Verordening adviesraad sociaal domein Huizen, Blaricum, Eemnes en Laren geldt.
2
Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
3
Het college betrekt inwoners van de gemeente bij de evaluatie van beleid en de inzet van jeugdhulp na afloop van het onderzoek, tijdens en na afloop van de hulpverlening.
4
Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede lid.
Artikel
36
Toepassing Subsidieverordening Amersfoort
Voor de subsidies in het kader van de Jeugdwet - betrekking hebbend op de voorheen landelijk en provinciaal gefinancierde jeugdzorg - die namens het college van de gemeente Eemnes door het college van de gastheergemeente Amersfoort worden verleend, is de vigerende Algemene subsidieverordening van de gemeente Amersfoort van toepassing.
Hoofdstuk
9
Slotbepalingen
Artikel
37
Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of ouder(s) afwijken van het bepaalde in deze verordening, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel
38
Intrekking voorgaande verordening en overgangsrecht
1
De Verordening jeugdhulp gemeente Eemnes 2024, vastgesteld op 29 januari 2024, wordt ingetrokken.
2
Besluiten die op grond van de in het vorige lid bedoelde verordening zijn genomen, blijven van kracht voor de daarin bepaalde duur of tot het moment dat zij door het college worden gewijzigd of ingetrokken.
3
Aanvragen die zijn ingediend op grond van de in het eerste lid bedoelde verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening.
4
Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de in het eerste lid bedoelde verordening, gebeurt met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde verordening.
5
Van het vierde lid kan ten gunste van de jeugdige /of ouder(s) worden afgeweken.
Artikel
39
Inwerkingtreding en citeertitel
1
Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het elektronisch gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 januari 2026.
2
Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Jeugdhulp gemeente Eemnes 2026”.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 juni 2026.
De voorzitter,
dhr. R. van Benthem RA
De griffier,
mw. A.H de Graaf – Gerrits